HET HUIS ALS UITGANGSPUNT VOOR KUNST

Hans Christiaan Klasema

Ik loop met Bosie door de jonge bossen, de rietlanden rond de Lauwerszee. De natte paden, de bermbeplanting, de vergezichten neem ik waar maar bewust kijken doe ik niet. Ik wil naar binnen in het huis dat mijn lichaam is. Een eenvoudige zin herhaal ik. Soms een zucht zoals een monnik bij zijn stil gebed. Een verticale beweging als een trechter baant zijn eigen ruimte. Niet lichamelijk maar wel al eerder in mijn lichaam voorzien. De schacht breekt door en iets kostbaars vormt zich. Rechthoekig pulserend en van licht. Ik koester het, geef ruimte, zodat het zich na nog een aantal stappen, ademhalen, behoedzaam op precies de goede plaats bevindt. Los, niet aan mij, vrij, aan niets gebonden. Ergens tussen maag en hoofd.

Ik ben thuis. En kan me overal bewegen.

I.

Het huis is uitgangspunt voor mijn leven en werk. Niet als onderwerp om te schilderen, als motief voor een beeldhouwwerk, maar als plaats om te wonen, om thuis te zijn en als locatie voor kunst.

Niet het huis zelf, de vorm van de muren, ramen, daken en deuren. Maar ‘het Huis als Menselijk Verblijf’ met daarin mogelijkheden om te bewegen; om betekenis te geven naar binnen toe, te stralen naar buiten toe.

Ook niet het huis in het algemeen maar telkens een specifiek huis. Het huis waar ik op dit moment leef.

Leven in het Huis is het centrale thema van mijn werk. Het huis is de plek van waaruit ik handel. Het werkt structurerend als in een verhaal of het nu een klooster is, een landhuis, een museum of een theater. Ik kies of vind of zoek altijd plaatsen waar een publiek, niet meteen een kunstpubliek, mij, met een zeker moeite, kan vinden als gast of vriend.

Mijn werk is een verhaal dat nog verteld moet worden. Door wie? Liever niet door mij. Dan is het een achteraf. Ik ga buiten of boven mijn leven staan. De kunststappen die ik doe in mijn leven zijn verborgen maar kunnen gevoeld worden als fragmenten, repetities van romans, theaterstukken en films.

Ik herneem situaties aangegeven door de seizoenen van het jaar en de gebeurtenissen van een leven. Soms nemen de mensen die betrokken zijn een tijd lang een herkenbaar karakter aan. Soms overschaduwt een personage mij en mijn handelingen. Wat ik met hen deel kan naar buitentreden in verschillende vormen maar zullen nooit door mij georganiseerd worden. Ik ben zowel actief: in voorbereiding en present zijn, als passief: in het aangaan van nieuwe gebeurtenissen en representaties.

Het ‘Huis-houden’ of anders gezegd ‘het houden van het Huis’ is het centrale thema in mijn samenleven met tuinontwerper Klaas T. Noordhuis op Oosterhouw. Een teruggetrokken leven in tijd (het Fin de siècle van de negentiende eeuw) en in ruimte (een statig huis achter hoge hagen midden op het hoge land van Groningen). Tegen de keer van de moderne tijd.

In cirkels herneem ik dag en nacht mijn binnen- en buitenwereld, oefen ik mijn houding in. Ik reageer op de situaties zoals die zich aan mij verschijnen. Herneem situaties uit het verleden. Het zijn scènes in ruimte en tijd. Repetities, herhalingen in een weloverwogen gekoesterd decor. Ik ben op kunstniveau constant aan het waken.

Deze houding heb ik ontwikkeld in de kunst, het theater en in de jaren in het klooster. Het is een samen opgaan van actie en contemplatie, handelen en beschouwen zoals voorgeschreven bij de innerlijke houding op de mystieke weg. Voorbereiding van een innerlijke of uiterlijke ontmoeting die je niet kan afdwingen. Uitsluiten van alle ruis. Klaar staan voor wat voor je verschijnt.

Ik volg een dagindeling van werken en wandelen in stilte. Bereid ontvangsten voor. Klaas is bij die ontmoetingen de actant, gastheer en verteller, persoon en personage. Gasten kunnen iets van mijn spoor zien in de voor hen uitgeharkte paden rondom de parktuin, in de vergeten bosjes met doorzichten naar buiten, naar het landschap en naar binnen, naar de bestaande tuin.

Een strenge aanleg, romantisch overwoekerd door de tijd; een liefdesdialoog van Klaas en zijn overleden echtgenoot, de dichter C.O. Jellema.. Ik laat die tuin intact en wil hem opnieuw doen stralen. Nu vanuit het nieuwe perspectief op Oosterhouw, mijn ontmoeting met Klaas. De installatie van huis en tuin en de ontvangsten roepen een gevoel op van verloren gegane harmonie rust en comfort. Tijd en ruimte veranderen en de bezoeker is met behoud van zijn eigen context aangedaan.

II.

Ik heb mij door mijn weg aan de rand van de kunstcontext begeven. Theoloog en kunsthistoricus Erik Hagoort beschrijft in zijn essay ‘Goede Bedoelingen/Over het beoordelen van ontmoetingskunst’ (isbn 90-76936-14-5) voor het Fonds voor de Beeldende Kunst een stroming die in de negentiger jaren van de vorige eeuw ontstond als tegenhanger van de materialistische ontwikkelingen op de kunstmarkt. Het is een kunstvorm die ethiek koppelt aan kunst in grootse sociale of juist kleinschalig elitaire interventies.

Een stroming die eerst ‘sociale sculptuur’ werd genoemd, toen ‘ontmoetingskunst’. Erik introduceerde voor mij het begrip ‘relationele esthetiek’, de uiterlijkheid van de ontmoeting; of zelfs ‘relationele ethiek’, de intentie bij een de ontmoeting. Het goede handelen staat in deze laatste benaming voorop. De bedoeling om goed te handelen als vorm van kunst. Nog voor het proces, nog voor het resultaat.

Voor mij is het een weg die ik niet verzonnen heb als kunstconcept, maar die ik stap voor stap vanuit de logica van mijn handelingen gegaan ben. Ik kan niet terug, en niet eruit, alleen vanuit die specifieke houding verder. Mijn houvast op die weg is, misschien tegenstrijdig aan bewegen: een vaste plek: ‘een Huis’. Wanneer en hoe kwam ik op dit spoor?

In 1989 werd ik gevraagd met drie andere deelnemers mee te doen aan een nieuwe categorie van de Prix de Rome, een koppeling van beeldende kunst en theater. We kregen als opdracht tien minuten lang een scene uit Macbeth op te voeren in de grote zaal van de stadsschouwburg van Amsterdam. Tot die tijd was ik betrokken als vormgever/kunstenaar bij experimentele met een groep acteurs zelf ontwikkelde stukken. We kozen bewust voor het kleine zalencircuit, zodat er intimiteit was tussen publiek en spelers. Daarnaast maakte ik voor tentoonstellingen kleine mulimedia objecten waarin ik probeerde mijn innerlijke ruimte af te tasten. Te zien waar ik wilde staan. In de prijsvraag kwamen de disciplines ook voor mij voor het eerst bij elkaar.

Voor de opvoering gebruikte ik de oorspronkelijke bouwtekeningen van de Stadsschouwburg. De gigantische toneelvloer met de ruimtes erom heen. Het leek op de plattegrond van een middeleeuwse burcht. Ik wilde er ‘het Huis’ van Macbeth inrichten. Het publiek in een vierkant midden op het toneel plaatsen als levende muren. Als de getuigen van wat komt. Daders en slachtoffers.

Erboven een op en neer bewegend plafond met warm en koud licht in de vorm van een grit met vier torens. Naar boven op ijzeren staven hemelse figuren van porselein; naar beneden honderd lange blinkende scherpgeslepen messen. In het midden had ik gedacht zelf, als het publiek aanwezig was, een wit tweepersoonsbed met een ingebouwde transistor te schuiven. Alles speelde immers in mijn hoofd, ik zou de verteller zijn, de maker.

Uit de transistor klinkt de ouverture van Wagners Tannhauser: verklanking van de beladen terugkeer naar huis. Lady Macbeth in het bed volgt met ogen, beweging van lichaam, Macbeth. Hij loopt in cirkels achter het vierkantig publiek. ‘Fair is Foul and foul is fair’ krijsen de heksen. Opheffen van de moraal. Een weerbarstige moeilijk uit te voeren Shakespeare. Als poster gebruikte ik de foto uit de tweede wereldoorlog van een kuil waarin kinderen met angst in de ogen schulen voor het komend geweld. De muziek gaat uit. Het stuk begint. Ieders huis wordt vertreden. Alles lijkt maakbaar, maar ook Foul.

Voor het eerst was ik gefascineerd door het Huis. Ik kon door de omstandigheden, omvang en druk het plan niet neerzetten zoals ik wilde. Maar het proces vooraf was boeiend, warm en waar. Ik had drie maanden lang een toegewijde groep om mij heen die met elkaar werkte, leefde, at. Niemand van de vier deelnemers kreeg de prijs, maar wel werd een nieuwe opdracht gegeven om te laten zien hoe wij in alle rust, in eigen gecreëerde omstandigheden, iets zouden maken dat de disciplines verbond als les voor een volgende keer.

Ik ging weg van Amsterdam en verhuisde naar het platteland. Daar, na een periode van een vruchtbaar nietsdoen groef ik een kuil in de klei onder mijn huis. Ik wilde een vrije ruimte maken, een negatieve sculptuur, een kamer, een monnikscel, een graf. Ik ontwikkelde al werkende een houding die leidraad zou worden op mijn weg. Aandachtig, alert, leeg, ontspannen zonder vooropgezet doel. Ik stopte met het maken van objecten. Ik merkte al werkende dat het niet mijn manier meer was om te communiceren. Mijn werk was niet te vangen in een beeld. Het was eerder een houding ten opzichte van mijn omgeving, de spullen en de betrokkenen.

Ik bevrijdde me van mijn huis, mijn veiligheid, de overgebleven kunstwerken en archieven, verlangend naar een nieuwe start in leven en kunst. Ik besloot om van dan af een te zijn met de projecten die ik aan ging en te leven met de betrokken mensen. Terug in Amsterdam richtte ik een kleine cel onder de theatervloer in om werk en leven te verbinden. Ik diende de anderen als een kunstenaar.

Het proces van introspectie en zelfverloochening dat volgde, leidde tot de stap om in te treden in een klooster als een benedictijner monnik (1995-2000). Daar werd leven, kunst en spiritualiteit verbonden binnen een leven in een gemeenschap van dertig monniken. Ik verlangde ernaar volledig door anderen en de Ander gevormd te worden. Mystieke eenwording als de ultieme handeling.

De kunstweg bleef altijd latent aanwezig in het denken en het zoeken naar het ultieme; de vaardigheden van de vormgeving kwamen bij allerlei taken in het klooster van pas; en het theater bleef het kader van waaruit ik naar de wereld keek. In de liturgie en het leven in de kloostergemeenschap zag ik ook een theatervorm met opkomst en afgang; met voorbereiding en verdieping; met toeschouwers tijdens de mis; en op open dagen; met gasten voor kortere of langere tijd.

Na vijf intensieve jaren ging ik daar weg om terug te keren naar de stad en de groep waar ik vandaan kwam. Met hen en anderen, een groep kunstenaars van de Rijksacademie, een meditatiegroep rond een Kapucijner klooster en een groep vanuit de antroposofische zorg werkte ik aan ‘de straat’ een utopieproject voor IJburg, een nieuw te bouwen wijk in Amsterdam.

In mijn voormalige galerie ‘De Praktijk’ maakte ik voor dit project de installatie ‘silenthotel’. Een hotel rond stilte waar gasten elk moment van de dag konden binnen komen om te slapen, te eten in een kunstsituatie, maar voor mij bood het geen woning, geen thuis. Wat ik nodig had, was een situatie waarin ook voor mij gezorgd werd. Een kader zoals ik het kende in het klooster. Vandaar dat ik het nog eens probeerde in de kleine gemeenschap van Slangenburg.

Vanuit dat verborgen leven schreef ik ‘Brieven van verlangen en wanhoop’ naar bekenden en onbekenden vanuit de ‘Lectio Divina’ , een monastieke, beproefde manier van lezen van mystieke teksten. Maar ik schreef ook vanuit mijn meer wereldse begeerten, die mij niet geschikt maakte voor een totale opoffering. Een brief met als titel ‘Verlangen’ bracht mij bij Klaas op ‘Oosterhouw’. Eindelijk thuis.

III.

Terwijl ik rondloop in het huis, besef ik hoe deze lezing samenvalt met mijn leven. Ik denk aan voorraden, de was, de stomerij, de nieuwe luifel, de gasten die deze week komen slapen, de ontvangsten in de tuin en schrijf een lezing over ‘Houden van het huis’.

Oosterhouw is het archetype van ‘het Huis’ Het staat in het midden van de akkers te midden van bomen. Een monumentale deur, aan weerzijden ramen, een kelder een zolder. Onaangeraakt de wanden, de spullen. Het verhaalt het verleden en raakt het heden. Het Huis als beeld van de persoon en beeld van de wereld. Vooral van Klaas, die mij gastvrij heeft ontvangen. Voel je thuis en ga overal binnen zei hij toen ik voor het eerst kwam.

Bij wie voel je jezelf thuis? En kun je jezelf nog thuis voelen in deze wereld, in deze ‘onverteerbare tijd’? In fragmenten valt het leven uiteen door een dwingend te veel aan mogelijkheden. Te veel beelden, te veel middelen en te veel vervreemdend werken. Er is zorg voor al deze impulsen buitenshuis en binnenshuis maar verwaarlozing voor het noodzakelijk onderhoud van wat een huis een thuis maakt: begrenzing, hechting, intimiteit, trouw. Met een mannelijke moeten we aan het huis blijven bouwen; heroïsche reizen ondernemen om het thuis weer te overwinnen. Met vrouwelijk energie het huis onderhouden. Van het huis houden. Er een plek vinden.

Thuis zijn is ook niets doen. Er zo maar gedachteloos, tijdeloos aanwezig zijn. Er alleen zijn. De innerlijke wereld betreden ook een huis, met donkere en lichte vertrekken, met een zolder, een kelder, verborgen kamers. Gedachten en gevoelens, verlangens mooi of lelijk kunnen er een plek krijgen. Een lege ruimte die ieder in zich heeft kan gevonden worden, waar alles stil valt, waar iets te bergen valt.

Toen ik als monnik na twee jaar tijdelijk geprofest werd mocht ik een voordracht houden voor de communiteit en laten zien hoe ik de lessen verwerkt had van het noviciaat. Mijn onderwerp was ‘Het monastieke Huis’. Een weerslag van gesprekken met Vader abt. We spraken over een vierkant dat ons leven als pijlers droeg. De elementen waren het gebed, het werk, de studie en het samenleven. In het latijn Ora, labora, lectio divina en vita communis.

Ik had als spreekmodel hetzelfde grit genomen als tien jaar eerder het plafond dat ik maakte voor de opvoering van Macbeth. De vier torens waren de vier pijlers, die met elkaar in verband stonden met bijbehorende gebouwen in een schematisch klooster zoals de refter, de bibliotheek, de kerk en de kapittelzaal. In het midden nu niet het echtelijk bed van corruptie, wellust, en maakbaarheid, maar de kern van ieders monnikleven: de cel. Plaats van ontvankelijkheid en verwondering, diepgang en bevrijding. Ik besef dat daar een geheim ligt voor ieders leven ook buiten het klooster.

Het kloostergebouw was de icoon van ‘het gesloten Huis’, ‘het claustrum’. De kloosterling daarbinnen, in zijn cel, werkt aan zijn innerlijke weg om monnik te worden, mens van een stuk te worden. De oorsprong van de term Monachus betekent onversneden stof. Op de markt prijsden de kooplieden hun waar aan en zeiden: deze lap is monachus. De eerste mannen die zich afzonderden om hun leven aan god te wijden kregen deze term als eretitel. Deze man is monachus, mens uit een stuk, onverdeeld, onversneden, open voor alles wat zich aandient. Hij is bij zichzelf thuis.

In de cel was een voortdurende inoefening van wat hemels, aards, sterfelijk en onsterfelijk is. door lezing, gebed, versterving, uithouden, ademen. Het was een vorm van ingemetseld zijn in spirituele stenen. Blijf hoe dan ook in je cel wat je ook voelt. Wie wil stralen moet branden. Als je wilde branden, moest je zitten blijven. Tot het hart open brak en samenvloeide, alles deelde in volle een-zaamheid.

Ik ben uit het klooster weggegaan, maar monnik gebleven. Op zoek naar een plek om thuis te komen, om met anderen te delen. Ik oefen mijn monachus-zijn in door te wandelen in de natuur. Het is het beeld van de Russische monnik die door de berkenbossen loopt met een eenvoudig gebed dat hij eindeloos herhaalt (Filokalia). Mystiek in het dagelijks leven.

In huis en tuin oefen ik het in door een Japans geïnspireerde omgang met mijzelf en de omgeving. De Kunst het handelen in het alledaagse, maar edele leven. Los te komen van gisteren en morgen en in het nu te zijn. Ontspannen en aandachtig, los van resultaat, los van alles, betrokken op alles. Dus een constant sterven. In ieder geval aan beeld. Doel is samen te vallen met het zijn. Thuis te zijn.

Thuis zijn is een inhoud. Het huis is de vorm. Thuis-zijn is ingemetseld als verlangen in elk menselijk verblijf. Het raakt aan wat intimiteit is, wat gekoesterd moet worden - de kuisheid van ieders innerlijke kern - en wat je daarin kan delen. Ik besef dat in de ontmoeting een bijzondere mogelijkheid ligt om te groeien door uit jezelf te treden, te zorgen en verzorgd te worden. Het is menselijk, mogelijk, niet meteen gemakkelijk.

Hoe dicht kan je elkaar naderen zonder een grens te bruuskeren? Hoe de deuren te openen naar het hart en werkelijk te ontmoeten? Elkaar te voeden en te verleiden, te troosten, samen te zijn? In plaats van mij zelf te verbergen in een monnikscel maak ik in de parktuin van Oosterhouw een gastvriendelijk huisje.

In plaats van mijzelf daar in te metselen breek ik het bestaande huisje open, haal stenen uit het metselwerk; ga daar zitten en wacht wie komt…

En als je dan komt doe dan zolang als je er bent alsof je hier woont. Wees dan even thuis. Wees welkom, gast, vriend.

Dank

>