WAT IS EEN HUIS?

Joost van Baak

Wat is een Huis? Muren, dak, kamers, etc. die ons omhullen en beschermen? Zeker, maar dat niet alleen. Er is een minstens zo belangrijk Huisbeeld dat we vanaf onze vroegste jeugd in onze psyche meedragen, een beeld dat alles wat wij doen en ervaren op de een of andere manier begeleidt, oriënteert, en zin geeft. Wij leven allemaal ons hele leven letterlijk ‘van huis uit, ook als we verhuizen, ons huis verliezen, of rondzwerven.

Er zijn vele mogelijke manieren om het Huis te beschouwen, om er over na te denken.

Psychologisch gezien gaat het om thema’s als herkomst, identiteit, familieband, zinvolle geschiedenis, ergens bijhoren, en dergelijke; hier passen ook huisconcepten in de zin van dynastie, het ‘huis van onze jeugd’, het ‘ouderlijk huis’, een ideaal, gedroomd huis, een archetypisch goed huis; of juist het tegendeel: het huis als gevangenis, wanneer geborgenheid omslaat in beklemming of repressie; of een huis waar het spookt (kennelijk niet voor niets een heel oud en hardnekkig thema in boeken en films). Niemand kan leven zonder enige vorm van huisconcept, huisgevoel. Het idee van ‘ontheemdheid’ bevestigt dit alleen maar.

Vanuit antropologisch perspectief kunnen we stellen dat er geen cultuur is zonder huisconcept, zelfs als het huis als materieel bouwwerk maar minimaal gerealiseerd is.

Ook in de filosofie, mythologie en religies is het Huisconcept een bijzonder krachtig symbool. Er is een mythologische thematiek van schepping van kosmos uit chaos, van de vier windstreken, van de hemel als tent, als gewelf (vgl. het woord firmament(um), gebaseerd op de voorstelling van hemel als een dak voor de aarde).

De Griekse tragediedichter Aeschylus (5e eeuw v. Chr.) verwerkte de Prometheusmythe in zijn tragedie Prometheus geketend. In zijn versie is dit het verhaal van onze ‘emancipatie uit de natuur’, hoe de mens van Prometheus niet alleen het vuur cadeau kreeg (door Zeus verboden, tot schade van Prometheus), maar ook hoe hij leerde om zijn eigen leefomgeving te maken, om dieren en planten te temmen, d.w.z. door de creatie van de menselijke cultuur. Aan het begin daarvan staat volgens Aeschylus: het verlaten van de duisternis van de grot, naar het licht toe, en vervolgens het bouwen van huizen, daarna volgen al andere verworvenheden van de menselijke cultuur: vuur, werktuigen, geheugen, taal, schrijven, rekenen, sterrenkunde, zeevaart, geneeskunst, wetgeving, kunst. Aeschylus benadrukt dat de mens pas mens werd toen hij de duistere grot verliet en zich naar het licht van de zon wendde, en in een huis ging wonen.

De grot is basaal in de evolutie van de mens en zijn cultuur: er kunnen mensen in wonen, maar het is nooit een (echt) huis. Ondanks de evidente sporen van menselijke cultuur (muurschilderingen, cultische objecten) in grotten als bij Lascaux, Altamira etc., is er daarbij toch geen sprake van huizen. De Franse archeoloog Leroy Gourhan formuleerde 3 fundamentele kenmerken die een huis definiëren als:
1. een door de mens gemaakte, technisch efficiënte ruimte.
2. het kader voor een sociaal systeem.
3. het geordende centrum in een verder chaotische wereld.

Sinds wanneer woont de mens in huizen? Volgens de gegevens van de archeologie dateren de eerste huissporen in Europa (een soort windschermen en hutten) uit het Mesolithicum, d.w.z. zo’n 9000 jaar geleden. Maar echte huizen ontstonden in het Midden-Oosten rond 10.000 – 9000 jaar geleden. Dit waren min of meer permanente huizen, meestal van gevlochten takken met leem, met een haard, en steeds met de volgende, cruciale begeleidende culturele kenmerken: er was sprake van beginnende landbouw en veeteelt, en van pottenbakken, dus van het temmen van planten en dieren. en van klei: (3 vormen van ‘domesticatie’); een verder essentieel kenmerk voor deze cultuurfase waren het begraven van de doden en rituelen rond de dood. De Engelse archeoloog Hodder baseerde zijn theorie van het Huis (waarvoor hij de term domus gebruikte) op juist deze combinatie van kenmerken. Het ging in deze culturen niet meer om alleen jagen en verzamelen, maar om de samenhang tussen een sedentaire levenswijze met beginnende landbouw en zorg voor de doden, en met het huis in zijn technische en symbolische betekenissen. Hodder formuleerde deze stap in onze culturele evolutie als “bringing the wild under the control of the domus.”

Wanneer we het Huisconcept onderzoeken vanuit het perspectief van taal, taalgeschiedenis en etymologie kunnen we ook interessante conclusies trekken over de zeer oude en diepgewortelde antropologische en culturele betekenissen rond het Huis die zich al duizenden jaren geleden gevormd hebben en die zich,ondanks de zeer ingrijpende historische veranderingen in de talen, toch op een of ander manier zijn overgeleverd. Hoe komt het concept Huis, en aanverwante begrippen, in de taal tot uitdrukking? In de grote taalfamilie waartoe ook het Nederlands behoort, de zg. Indo-Europese taalfamilie, zijn een aantal basisvormen bewaard gebleven van woorden die met het huis, met wonen en met de bijbehorende sociale structuren te maken hebben. De historische taalkunde houdt zich bezig met de studie van de historische ontwikkeling van talen en probeert oervormen van woorden en de relaties (verwantschappen) tussen talen te reconstrueren. Zo gaat men ervan uit dat in de (inmiddels spoorloos verdwenen) Indo-Europese taal primaire woordstammen (zg. wortels) voorkwamen die naar het Huisconcept in zijn fundamentele antropologische betekenis verwezen, en die we terugvinden in de volgende woordbetrekkingen: het Latijnse domus gaat terug op twee nauw met elkaar verbonden wortels (vormen). *tem/tom , die ook ten grondslag liggen aan Nl. timmeren (vgl. ook Duits Zimmer) en temmen (vgl. ook Lat. dominus. Dus we zien een taalhistorisch oude en diepe verbinding tussen het materiële Huisconcept (‘timmeren’), en het sociaal-culturele en zelfs morele Huisconcept (het ‘temmen’ als grondbetekenis van de cultuur; ‘temmen’, ‘beschaven’). Andere interessante betrekkingen van dit type zijn terug te vinden de etymologische samenhang tussen woorden als huis en huid, of gevel en het Griekse kefalè (‘schedel’, ‘gezicht’). Het is dan ook niet verwonderlijk dat we universele Huismetaforen in poëzie en kunst tegenkomen, maar ook bv. in dromen, waarin een huis een persoon kan worden, en een mens een huis kan worden; vgl. analogieën als: ramen – ogen, zolder – brein , kelder – onbewuste.

De titel van dit stuk vraagt wat een huis is. We kunnen ons evengoed afvragen wat wonen is, en of daarbij ook sprake is van zo’n oude taalhistorische verankering als bij het huis. Etymologisch gezien bestaat er verband tussen wonen en wennen, en ook het Duitse Wonne hoort bij dit betekeniscomplex. Dus ook hier (net als bij de wortels *tom/tem) gaat het om een in de grond positieve culturele, emotionele en morele betekenis. Daarnaast zijn er andere oplossingen te vinden, zoals bv. in het Engelse to live, net als in het Latijn en daaruit voortgekomen talen manere, mansio, maison, mansion – verblijven, verblijf, (heren)huis, simpelweg er(gens) zijn waarbij dus het leven als zodanig impliciet en onlosmakelijk met het huis verbonden is. We kunnen deze verschijnselen zien als aanwijzingen dat er universele antropologische betekenissen ten grondslag liggen aan het Huisconcept.

Alles begint met het idee, - en vooral ook het gevoel -, van een grens tussen een binnen en een buiten, van een membraan, een huid, een hemd, een jas, vervolgens een muur. Dit lijkt een basisvoorwaarde voor het ontstaan van een ‘ik’, van een ‘zelf’, een punt van waaruit alles wordt geordend en georiënteerd. Allersimpelst: ‘ik = hier’ (‘hier ben ik’). Dit is, waarschijnlijk, wat we allemaal meemaken in onze vroege levensfazen. Maar het is ook heel diep in de evolutie verankerd. Wij hebben dit gemeen met zoiets kleins als een bacterie, een eencellige. Ook al hebben deze wezens niet ons bewustzijn, zij kunnen alleen fysiek bestaan bij de gratie van een membraan, hun celwand die hun binnen, - de biochemische processen van het leven -, afscheidt van de buitenwereld. Bij de muis bv. blijkt zelfs iets als een ‘holgevoel’, met het bij behorende gedrag, genetisch vastgelegd. Ook wij kunnen spreken van een ‘nest’ wanneer we een huis bedoelen als ‘thuis’, zelfs met een eigen ‘nestgeur’, en als sociaal milieu. Dit idee, deze voorstelling kan vervolgens concentrisch, en per analogie, uit gebreid worden, vanuit onze anatomie (onze huid) naar onze kleding, tot de grenzen van ons huis, de huismuur met ramen en deuren, tot de tuinmuur, en dan de stadsmuur, ten slotte de landsgrens, steeds abstracter, maar altijd gebaseerd op deze fundamentele ruimtelijke voorstelling. Zo vormt zich de ‘identiteit’ van het individu als grondslag van gevoelens en waarden als ‘saamhorigheid’ en ‘nationaal gevoel’ (terwijl ook het ontbreken daarvan ruimtelijk kan worden voorgesteld). Maar de andere kant op kan ook, en met een andere waardering; dus vanuit het beeld van de ‘cel’, met de ‘cel-wand’ naar binnen toe, centripetaal, het isolement, de afzondering, zoals in de monnikencel in het klooster (uit Lat. claustrum), maar natuurlijk ook in de gevangeniscel.

Al onze levensfazen zijn voor te stellen als gebeurtenissen die ‘ingebed’ zijn in iets, of omgekeerd: ‘vanuit iets’ voortkomen. En dit kan ook wel allebei tegelijk gelden. Geboren worden is het ‘huis’ van de moederschoot verlaten, en tegelijkertijd in een nieuw huis komen, nl. het huis van gezin, familie, en gemeenschap, maar het zit ook in het idee van reïncarnatie als ‘zielsverhuizing’. Sterven wordt traditioneel voorgesteld als het verlaten (door de ziel) van het huis, zowel het huis van het lichaam, als het huis waarin men woont en het huis van de familie en de gemeenschap. Daarnaast is er ook wijd verbreide voorstelling van de Dood die ‘binnensluipt’, dus in omgekeerde richting, als indringer in het ‘huis van stervende’, en volgens dezelfde analogie, in het ‘huis-lichaam’ van de stervende (beide beelden worden gebruikt in bv. Oorlog en vrede, als Tolstoj het sterven van vorst Andrej Bolkonskij beschrijft).

Het Huis staat dus als oerbeeld, als archetype in de psychologie, maar vanouds ook in de kunst centraal. Het kan de vorm aannemen van een ideaalbeeld, maar daarnaast ook als het tegendeel van het harmonieuze archetype: wat ons beschermt kan zich tegen ons keren en ons gevangen houden, het ‘anti-huis, huis als gevangenis, Huis als Hel, of de Hel als Huis (bv. in Vestdijks De kelner en de levenden).

Het Huis is in de kunst speciaal belangrijk door het reusachtige symbolische en metaforische potentieel van het huisconcept, door de verbeelding van de mens in zijn veelvormige en diepgewortelde relaties tot zijn huis, op grond van de rijke mogelijkheden voor analogieën en metaforen van de mens als huis, en omgekeerd: het huis als mens.

Huizen in verhalen en gedichten kunnen meer worden dan alleen binnenlocatie. We kunnen dan ook spreken van het ‘Verhaal van het Huis’ dat voor ieder mens geldt, en om die reden van een Huismythe.

>